| |
|
|
|
Onze Lieve Vrouw ter Nood
|
|
|
Een
belangrijke historische plek in Heiloo is het
bedevaartsoord Onze Lieve Vrouw ter Nood. De vroegste vermelding
met een verwijzing naar de kapel die daar gestaan heeft, is uit
1409. Dat betekent dat deze plaats, met deze functie van kapel,
inmiddels in 2009 minstens 600 jaar bestaat. Het bedevaartsoord
heeft in het langdurig bestaan perioden van bloei en van
neergang gekend. Soms was er sprake van turbu-lente tijden en er
zijn tijden geweest dat kapel en activiteiten vrijwel waren
verdwenen. Maar elke keer leefden de activiteiten na verloop van
tijd weer op. In 1573 werd aan de kapel een grote slag
toegebracht doordat deze tijdens het beleg van Alkmaar, evenals
vele andere kerken in de regio, werd verwoest.
Ruim 60 jaar bleef er nog een ruïne staan, die toch ook
aantrekkingskracht had op de bedevaartgangers. Maar in 1637
moest ook de ruïne op last van de protestantse overheid worden
afgebroken. In de periode rond 1905 werd het bedevaartsoord weer
opgebouwd en heringericht.
In vele publicaties wordt de geschiedenis van deze
Mariabedevaartsplaats verhaald. De meest recente publicatie, ‘’t
Putje van Heiloo’, door drs. Ottie Thiers 1
verscheen in 2005 ter gelegenheid van het feit dat het honderd
jaar geleden was dat het bedevaartsoord heringericht werd.
Anders gezegd: het was in 2005 het jaar van de herdenking van
honderd jaar
heropleving van de devotie.
Vijfentwintig jaar daarvoor publiceerde drs. Joan Bertrand ‘De
Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood’ 2
en in 1933 verscheen ‘Onze Lieve Vrouw ter Nood voorheen en
thans’ door W. Nolet 3
Naast deze publicaties zijn tal van artikelen of hoofdstukken in
boekuitgaven verschenen zoals door P.J. Margry in ‘Heiloo voor
en na Willibrord’ 4
.
Blijkbaar is er altijd een behoefte geweest om de geschiedenis
van de plaats te bestuderen en vast te leggen. Het gaat in deze
publicaties om de geschiedenis, de culturele waarden en ook de
religieuze aspecten van dit deel van Heiloo.
Van
de rijke geschiedenis van de bedevaartsplaats, die grote bekendheid aan
Heiloo heeft gegeven, worden in dit kader slechts enkele belangrijke
onderwerpen globaal weergegeven.
De vroegste geschiedenis
In 1409 en nog eens in 1440 zijn er eerste vermeldingen
van de kapel. Het gaat om een rekening van ’t Utrechtse Domkapittel uit
1409 waarin wordt gesproken over een vicaris (kapelaan ) die aan de
Heiloose kapel verbonden is 5
.In 1440 is er sprake van een leenbrief van Harper van Foreest, waarin
de kapel van Onze Lieve Vrouw te Heiloo ter sprake komt. Er wordt in
deze documenten gesproken van Onze Lieve Vrouwe Caepelle in de banne van
Heiloo. In die periode
bestond Heiloo uit twee dorpen: Heiloo en Oesdom. Het zuidelijk deel van
het huidige Heiloo droeg de naam Oesdom. Pas in 1509 werden de bannen
Oesdom en Heiloo samengevoegd tot een banne Heiloo, terwijl ook na dit
jaar nog in veel documenten (bijv. transportacten) de benaming Oesdom
gebruikt wordt. Het is merkwaardig dat het in de vijftiende eeuw dan
toch een kapel in Heiloo wordt genoemd. Er bestaan veel speculaties over
de benaming van Runxputte en Oesdom die voor het bedevaartsoord gebruikt
worden. Daarnaast wordt dit deel van Heiloo ook wel aangeduid met de
naam Kapel. Bij de naam Runxputte wordt gedacht aan een al eiding van de
naam Rorik, een hoofdman van de Noormannen in deze regio. In een van de
beschrijvingen van heiligen, n.l. van de heilige Donatius, die in Brugge
wordt vereerd, gaat een vrouw naar de Roriksput in Osdenne water halen.
Gedacht werd dat hiermee Runxputte en Oesdom bedoeld werd. Tegenwoordig
gaat men ervan uit dat dit toch allemaal enigszins speculatief is en er
ook op taalkundige gronden geen afleiding van Rorik naar Runxputte voor
de hand ligt. Een roemrijk verleden in de vroegere middeleeuwen is niet
aan te tonen. Er zijn geen aanwijzingen voor gevonden. De naam Runxput
wordt nu gebruikt voorde put die zich op het terrein bevindt.
In de akten die zich in het Regionaal Archief Alkmaar bevinden uit de
periode van 1550 tot 1800, waarin het gaat over grond gelegen in Oesdom,
komen namen als Cruijslant, Capelkroft, Capelacker voor. Een keer in
1575 wordt de ligging van een stukje grond beschreven als: “stuck
saetlant met wat weytlant daaran, 1½ morgen, in de banne van Oesdom
bewesten van de Vrouwe Capelle te Runxputte“ 6
.
In diverse publicaties wordt ook nog gesproken over de Kruisberg en de
Kruipberg. De Kruipberg zou de plaats zijn waar de Kapel gestaan heeft.
De pelgrims zouden rondom de Kapel kruipend hun gebeden zeggen. De
Kruisberg is een plaats gelegen aan de oostkant van de Hoogeweg
7
.
De naamgeving Onze Lieve Vrouw ter Nood is ook veelvuldig
bediscussieerd. Deze benaming komt in de laatmiddeleeuwse geschriften
nog niet voor. In de discussie gaat het over de beide betekenissen die
men aan deze naam kan hechten. De eerste is O.L. Vrouw ter Nood als Nood
Gods ofwel de O.L. Vrouw van Smarten, de Piëta. In de tweede betekenis
gaat het om de hulp die Maria zou kunnen geven aan de mensen in Nood.
Uiteindelijk werd voor Heiloo de laatste betekenis algemeen aanvaard.
Voor de vroegste periode in de geschiedenis van het bedevaartsoord geldt
ook de vraag in welke mate in de periode rond 1500 er sprake was van
devotie in Heiloo voor Willibrord en of die devotie samenviel met die
voor Maria. Voor die periode zijn hierover geen gegevens voorhanden;
voor de latere perioden is er wel verband tussen de vereringen van
Willibrord en Maria in Heiloo.
Beleg van Alkmaar 1573
De belegering van Alkmaar in 1573 werd fataal voor het gebouw van de
kapel dat er voor die tijd had gestaan.
Evenals de abdij van Egmond en de Willibrorduskerk (nu Witte Kerk) in
Heiloo werd de kapel verwoest door de geuzen, onder leiding van Diederik
van Sonoy, omdat deze gebouwen bij een te verwachten belegering van
Alkmaar voor de Spaanse troepen als schuilplaatsen zouden kunnen dienen.
In Oesdom bleef slechts een ruïne staan. Het lijkt erop
dat deze ruïne in die tijd juist weer extra aantrekkingskracht krijgt op
pelgrims en andere Mariavereerders.
Een gedicht van een anonieme dichter aan het begin van de zeventiende
eeuw beschrijft de situatie. Er komen mensen bidden voor genezing van
ziekten en pijnen. Het geeft ook een beschrijving van een groen altaar,
dus in de open lucht met “de blaeu gestarnde Hemel” als gewelf. Het
gedicht eindigt met de wens dat deze plaats niet meer uit onze gedachten
zal verdwijnen.
Klik
hier voor
het gedicht
Een andere getuigenis van de activiteiten bij de ruïne vormt het
schilderij van de Alkmaarse kunstschilder Gerrit Pietersz. De Jongh (zie: afb. 1). Een
welgesteld echtpaar heeft zich in 1630 laten afbeelden bij de ruïne.
Linksonder op een steen staat de tekst: 'de Capel van onze Lvrouw de
Runx putten tot Oesdom'. In de muurresten zien we een vaag gehouden
afbeelding van Maria. Dit wijst misschien op een bestaand
verschijningsverhaal.Deze afbeeldingen en nog vele andere lijken uit te
wijzen dat er, in de periode na de verwoesting van de kapel, juist een
opleving van de devotie en van de activiteiten
op het bedevaartsterrein plaatsvindt. De meerderheid van de bevolking in
Holland was, aan het einde van de 16e eeuw, nog steeds katholiek.
| |
 |
|
| |
|
|
| |
Afb. 1:
Gezelschap bestaande uit een echtpaar, twee kinderen en een oudere vrouw
met rozenkransen en gebedenboeken.
Bovendien zien we nog enkele personen op een pad rondom de ruïne lopen
of knielen en kruipen. Het schilderij van
Gerrit Pieterz de Jongh. bevindt zich in het Catherijnen Convent,
Utrecht. Maria verschijnt vaag tussen de brokstukken. |
|
De overheersende godsdienst was echter het calvinisme. De grote
verbondenheid van de gereformeerden met de opstand en de strijd tegen de
Spaanse troepen had tot deze situatie geleid. Mede daardoor was het
overheidsbeleid in deze periode tegen het houden van bedevaarten
gericht. Toch moeten er in de zeventiende eeuw op de plek waar de ruïne
stond heel wat activiteiten geweest zijn.
In 1637 werd de ruïne op last van de overheid geheel afgebroken. Ook dit
had geen effect; de plaats bleef men als een heilige plaats beschouwen.
Plakkaten waarin het houden van bedevaarten verboden werd, werden niet
nagevolgd. Er worden diverse protestacties genoemd, bijvoorbeeld de
brief van twee gereformeerde predikanten aan de Staten van Holland. De
acties van de baljuw van Kennemerland blijven echter beperkt. In 1647
wordt nog eens een oud plakkaat
(die waren ook al uitgevaardigd in 1587, 1588, 1590 en 1591) vernieuwd.
Daarin wordt Heiloo ook expliciet genoemd als : “ de overblijfselen van
seekere capelle, eertijds genaamd Onse Lieve vrouw ter Noodt”. Hierin
wordt melding gemaakt van het of eren van geld en waskaarsen en het
houden van druk bezochte bijeenkomsten. Dit alles, het plegen van
superstitiën (bijgelovige praktijken), kan niet worden getolereerd. De
onderdrukking blijft een probleem voor de Staten. Dat blijkt ook uit het
verschijnen in 1704 van het bekende Hylo-er ryskaartje. Een kaartje dat
gemaakt is zoals het onderschrift vermeldt: “ tot dienst van de Hylo-er
Pelgrims”. Ook een teken dat er activiteit was in het bedevaartsoord,
met bezoekers vanuit diverse verder liggende plaatsen. Op het kaartje
staan: ’t Capel met diverse herbergen met de namen St. Willibrort, ’t
Haringbuysje, ’t Panne-huysje, ’t Stalleken van Bethlehem en ’t
Capelleken. Op het kaartje staan de wegen naar Capel aangegeven en
tevens de weg naar de St. Alberts Put Egmond Binnen en de weg naar de
St. Willibrord Put in Heiloo.
 |
|
 |
| |
|
|
Afb. 2: Oorspronkelijk werd deze
prent met het ondesrchrift: Afbeelding vande Capelle van ons Lie-vrauw
te Runcxputte
anders genaemt Ter Noot tot Heylo in Oesdom, uitgegeven door F. de Wit
(1637-1690). Een exemplaar hangt nu in de
Oudheidkamer Heiloo. |
|
Afb. 3: Het ‘Hylo-er ryskaartje.
Een hulpmiddel voor de pelgrims in de achttiende eeuw |
1713, de wonderbare bron maakt Capel voorpaginanieuws
In 1713 ontstaat er grote opschudding. Noord- en Zuid-Holland worden
geteisterd door de runderpest. Het gebied van Kapel wordt nog veel door
pelgrims bezocht, maar de ruïne is allang verdwenen en de put is
gedempt. In de nacht van 8 december (het feest van Maria Onbevlekt
Ontvangenis) welde water op uit de grond. Het bericht verspreidt zich
snel als: ‘de Runxputte is opnieuw ontsprongen en het water heeft een
geneeskrachtige werking, het geneest de runderen’. Er wordt een
bedevaartsprent gedrukt waarop te zien is hoe bedevaartgangers met
kruiken en tonnen water halen bij de bron.
De wonderbaarlijke bron leidde weer tot het houden van processies en
meer openlijk vertoon van de katholieken. De overheid schippert, laat
oogluikend toe en moet bij al te provocatief optreden van de katholieken
wel ingrijpen.
De bron maakt zoveel los dat zelfs de Europische Mercurius, een
nieuwsblad voor zaken van Staat en Oorlog in Europa, er melding van
maakt. De tekst luidt zoals afgedrukt in De Ommegangen en bedevaarten
naar Heiloo en Oesdom in 1713 en 1714 8
:
Bij gelegentheit dat wij hier van de onmatige sterfte onder het
rundvee hebben moeten spreken, zo mogen wy niet voorby te verhalen het
Paeps verzonnen mirakel, ’t welk tusschen den 8 en 9 December (1713),
zynde, zo men zegt, de nagt der ontfanckenisse van de H. Maagt Maria,
zoude geschied zyn. Namentlijk, dat ter middernagt, op zekere bij hen zo
genoemde Heilige Grond, tusschen Heylo en Limmen, twee bekende dorpen,
gelegen nabij Alkmaar, ter plaatse waar over vele jaren een oude
vervallen kapel stond, berugt door verscheide mirakelen, en onder deze,
als
de voornaamste, de verschijning van de Moeder Gods tusschen de
muurbrokken, - zeer onverwagt een fontein was
ontsprongen, verzelt van eenig ongewoon geraas, gelykende, zoals sommige
slegte menschen begrepen, naar ’t geluit van hemelstemmen, om aanwijzing
van deze nieuwe springbron te doen. Bij de voormelde grond staan alleen
drie of
vier huizen, welke dienen tot herbergen, meerendeels voor devotarissen,
die hier van alle kanten komen om te bidden. De bewoners dezer huizen,
des nagts in ’t donker die nieuwe waterfontein, springende met
verscheide stralen hoog uit de aarde, gevonden hebbende, verbreiden
zulks als een mirakel, met bijvoeging dat dit water Heilig en een zeer
voortref elijk geneesmiddel tegens de thans besmettelijke ziekten der
koeyen was; ja een der waarden hield dat zoodanig met styve kaken
staande, dat zyne vertellingen by de eenvoudige Roomsgezinden gelooft en
overal verspreid wier-den: invoege de boeren van wijd en zijds met
kannen en vaatjes zich derwaarts begaven, om dat Heilig water tot
herstellinge voor hare zieke runderbeesten te gaan halen. Ongemeen groot
was de toevloey dezer onnozele menschen in de eertse dagen; dog het
slegt ef ect van dat water deed dien loop welhaast stremmen, en aan
luiden van een geoefend verstand, alschoon roomsgezind, klaarlyk
bemerken, dat men dit voorgewend mirakel alleen voor een looze streek
van de voormelde waard en zijn wijf, om hare slappe nering te verbetere,
moest aanzien. Dit laten wy voor rekening der bygeloovige Papisten en ’t
gene nu volgt aan het oordeel van regtzinnige geleerde medicijns.
N.B. In de tekst van de Mercurius staat hier een aankondiging van een
geneesmiddel dat is uitgekomen in Hamburg
ter bestrijding van de veepest. Het artikel eindigt met de zin: Deze
voorstelling van “het Paaps verzonnen mirakel” mag wel een meesterstukje
in hare soort heeten! Tot zover het artikel in de Mercurius, waarin de
verhoudingen tussen het gereformeerde en het katholieke volksdeel zo
goed tot uitdrukking komen. Tevens blijkt dat Kapel in die jaren een
belangrijke plaats was, waar grote aantallen mensen naartoe trokken.
Naar aanleiding van het tussenvoegsel, de vermelding van het
geneesmiddel van de Hamburgse fabrikant, schrijft H.J. Allard in een
voetnoot: “een advertissement, dezer dagen in Hamburg uitgekomen,
behelzende een geneesmiddel voor de ziekte der hoornbeesten, ’t welk
zeer heilzaam zoude zijn, en was ’t zelve daarom op orde van de regering
aldaar in de
courant geplaatst. Ziet hier dat recept…” Aan de kwakzal-verij geloofde
dus “de slegte” Mercurius wel, niet aan de
mogelijkheid van bovennatuurlijke wonderen. ’t Gebeurt wel meer.” En
deze opmerking zegt weer iets over de positie van H.J. Allard.
Over de periode na 1713 zijn er nog diverse getuigenissen, die we
vinden geciteerd bij De Rijk 9 op
pagina 299: “Zóó ging het waarschijnlijk de geheele achttiende eeuw
door. In 1750 heet het: ‘De Roomschgezinden bezoeken dit putje (van St.
Willibrord) somtyds met godsdienstigen eerbied. Doch ruim zooveel
bezoeks noch heeft ….. de zogenaamde Kruisberg en de grond, daar weleer
de Kapelle te Runksputte of van Onze Lieve Vrouwe ter Nood gestaan
heeft. Dit is een klein stuks
and tusschen eenige huizen gelegen, op welks midden een Arm-bos gevonden
wordt, waarin giften voor de gemeene Dorps-armen worden verzameld”. Deze
beschrijving geeft de situatie dus mooi weer. Van belang is nog de
collectebus voor de armen. Die zal later ook nog een rol spelen. De
Staten beraden zich om aan de toestanden een einde te maken.
In het Alkmaars Jaarboekje 1973 staat een gedetailleerd verslag over de
mogelijke transacties van grondaankoop die de Staten overwegen om een
einde te maken aan de bezoeken van de roomschgezinden aan de Kruis- en
Kruipberg. Uiteindelijk gebeurt er in 1768 niet meer dan de beplanting
van de Kruis- en Kruipberg.
Opleving en neergang in de 19de eeuw
In het begin van de 19de eeuw, tijdens de Franse overheersing onder
koning Lodewijk Napoleon, meenden de katholieken de devotie weer
openlijk te kunnen uitoefenen. De scheiding van kerk en staat en
gelijkstelling van alle gezindten wekte bij de katholieken
verwachtingen. De bedevaarten nemen toe, maar tegelijk ontstaan er
protesten tegen de processies en ook nu weer worden overheidsdienaren
verzocht in te grijpen. Groepen die met vaandels en veel vertoon door
het dorp trekken gaat
te ver, vindt men. Op 15 augustus 1807 wordt een processie gehouden die
tot veel weerstand leidt. “ De bedevaartsplaats bezorgt nachtmerries aan
drie ministers” schrijft Bertrand (pag 33) Ook in 1808 en in 1809 zijn
er protesten tegen gehouden of geplande bedevaarten naar de kapel of
naar de Sint Willibrordput in Heiloo.
| |
 |
|
| |
|
|
| |
Afb. 4: Op deze afbeelding wordt
getoond hoe de mensen met kannen en vaten water halen. Tevens legt deze
afbeelding
de nadruk op de verschijning van O.L. Vrouw ter Nood in de ruïne |
|
De minister van justitie stuurt een brief aan de aartspriester Ten
Hulscher in Amsterdam waarin hij dringend verzoekt geen processies te
houden. In die periode is het duidelijk dat het ook gaat om processies
naar het Willibrordusputje in Heiloo. Blijkbaar vertrekt men dan vanaf
Kapel en trekt door Heiloo naar de Willibrordusput. We zien de stoet
trekken over de zanderige wegen, met aan beide kanten de wallen in
Heiloo. Maar ondanks ministeriële bevelen blijven er strubbelingen,
getuige Bertrand in zijn boek met de paragraaf “Wapengekletter vanuit
Limmen”.Deze opleving tot het houden van bedevaarten werd zodanig
onderdrukt dat de katholieken even ervan afzagen.Na 1817 leefde de
verering weer even op. Er was ook een nieuwe situatie ontstaan. De
godsdienstvrijheid maakte voor de katholieken de weg vrij voor
emancipatie.
Uit Haarlem, Overveen, Akersloot en andere plaatsen komen de
bedevaartgangers opdagen. Oeverhaus 10
schrijft: “Maar nu kwamen de problemen van een andere kant. Het stukje
grond werd namelijk eigendom van de heer Verschuir, oudburgemeester van
Alkmaar. Deze moest van de paapse belangstelling voor zijn bezit niets
hebben en deed als Heer van Heiloo en Oesdom alles wat hij kon om het
bezoek dezer plaats te beletten. De steenhoop, die er nog steeds lag
nadat de ruïne omvergehaald was, liet hij opruimen. Nog gingen de
bedevaarten door, natuurlijk met veel onaangenaamheden, tot 1830 toe.
Toen kwam er een verbod van de kerkelijke overheid zelf”.
Nolet schrijft “ Omstreeks 1830 hielden de bedevaarten geheel op, en dat
wel op last van de Kerkelijke Overheid ‘om de misbruiken, erbij
voorvallenden, zijnde bijna een boerenkermis geworden, ook al door den
toeloop van ongodsdienstige, onkatholieke beschimpers.”Bedevaarten in
het algemeen bestonden uit een tocht met vaandels en kaarsen van het
kapelland naar de Willibrordusput en daarbij ook nog een bezoek aan de
Willibrorduskerk aan de Westerweg. Hoewel niet geheel
verii eerbaar blijkt uit een tekening (die zich in het Regionaal Archief
Alkmaar bevindt), gemaakt door een zekere heer Konijn, die zich rond
1900 actief op het kapelterrein ophield, dat de tocht zelfs een bezoek
bracht aan de Preekstoel, de plaats in het Heilooërbos ter hoogte van de
Kuillaan.Maar, zoals gezegd, er kwam een einde aan de bedevaarten rond
1830.
De weg naar heropleving
De katholieke emancipatie gaat echter verder. In 1853 is het herstel van
de bisschoppelijke hiërarchie, Nederland is weer een volwaardige
Kerkprovincie. De ontwikkelingen in Heiloo passen geheel in het patroon
van de landelijke ontwikkelingen.
In 1868 is er in Heiloo een nieuwe parochiekerk aan de Westerweg, op
dezelfde plaats waar daarvoor een schuilkerk stond.
In deze periode komen er weer initiatieven om de verering van Onze Lieve
Vrouw ter Nood in ere te herstellen. In 1873 verschijnt het onderzoek
naar de geschiedenis van de “Heilige plaatsen in het bisdom Haarlem met
een hoofdstuk Onze Lieve Vrouw ter Nood of Runxputte onder Heilo” van de
hand van J.A. de Rijk 11
.
Deze professor van het Seminarie Hageveld beschrijft de heilige plaatsen
in het bisdom en komt zo ook bij Heiloo terecht.
Om de devotie te doen herleven in deze plaatsen worden missies gehouden.
Zo werken de paters Redemptoristen eraan om de devotie in de vroeger aan
Maria toegewijde plaatsen te herstellen. Zo werd ook in de
Willibrorduskerk zo’n missie gehouden en werden de gelovigen opgewekt de
Mariadevotie op Kapel weer in ere te herstellen.Pastoor Kimman had
hierin een groot aandeel (Overhaus, pag. 43) en zijn opvolger pastoor
Geenen zette het werk voort. Deze zag kans het stukje grond waarop de
kapel, de put en de bidweg geweest waren aan te kopen.
| |
 |
|
| |
|
|
| |
Afb. 5:
Afbeelding van een in 1886 gebruikt gedachtenisplaatje
met gebed tot vernieuwing van de devotie voor
O.L.Vrouw ter Nood, bij
de missie in de St. Willibrorduskerk |
|
Klaas Ruiter,
broodbakker in Heiloo, had hem hierbij geholpen. Deze Klaas Ruiter kocht
namelijk op 18 oktober 1901 van Fontein Verschuir het belangrijke
perceel bosgrond, gelegen hoek Kapellaan en Runxputteweg (kadastraal
sectie E205). Hij verkocht de grond weer door aan de pastoor. De
belangrijkste stoot gaf echter G. van den Bosch (1857-1931). Deze Gerrit
van den Bosch was margarinefabrikant in Alkmaar. Het verhaal gaat dat
zijn vader grote belangstelling had voor de plaatselijke geschiedenis en
daarover zijn zoon graag vertelde. Zo wist Gerrit van den Bosch van het
bestaan van een plek in Heiloo waar een kapel had gestaan en het deel
van Heiloo werd ook nog aangeduid met de naam Kapel. In 1904 nam hij de
trein naar Heiloo om naar de plek op zoek te gaan en werd zodanig
geïnspireerd dat hij degene werd die er voor zorgde dat het oord vrijwel
werd zoals het tot op dit moment nog steeds is. De eerste doelstelling
van Van den Bosch was een kapel
te laten bouwen op de plaats van de oude kapel. Na overleg met de
bisschop en de pastoor en kapelaan van de Willibrordusparochie in Heiloo
besloot men afgravingen te doen om te zien of er iets van de oude kapel
en put terug te vinden was. Terwijl de discussie nog gaande was of de
plek van de oude put wel de juiste was werd de nieuwe put al
opgetrokken. Gerrit van de Bosch schrijft zelf in zijn aantekeningen:
‘Niet met het bepaalde doel om de Runxput te zoeken heb ik verzocht
opgravingen te laten doen ter Kapelle, het doel was, te trachten iets te
vinden, dat op de oude kapel betrekking had, opdat daardoor des te
gereder de devotie tot O.L.V. ter Nood zou worden opgewekt” En aldus
gebeurde. In juli 1905 kwam de eerste officiële bedevaart uit Amsterdam.
Een pelgrim die zich hierbij aansloot was Kees Enke, toen een
negentigjarige Heilooër, die ook nog de laatste bedevaart van 1830 had
meegemaakt.
Klik
hier voor
toelichting.
In 1905 werd ook door de bisschop van Haarlem een
Bisschoppelijk Comité (BC) opgericht met als doelstelling: “de kapel,
welke eertijds bestond op de bedevaartsplek van O.L. Vrouw ter Nood of
te Runxputte te Heiloo weder op te bouwen en de devotie tot O.L.
Vrouw ter Nood te herstellen en te verspreiden” (Overhaus, pag. 45) Tot
de leden van dit comité werden benoemd: “de
zeereerw. Heer J.J. de Graaf, deken en pastoor te Ouderkerk a.d. Amstel;
de zeereerw. Pater J.A.F. Kronenburg
C.s.s.R. te Roermond; de heer C.J. Gonnet, archivaris te Haarlem; de
heer G.h .M. van den Bosch te Alkmaar
en de heer Jan Stuyt, architect te Amsterdam”.
 |
|
 |
| |
|
|
Afb. 6: De
95-jarige Heilooër Kees
Enke, die getuigde ook nog de bedevaarten in de negentiende eeuw te
hebben
meegemaakt. |
|
Afb. 7: Het Bisschoppelijk
Comité in 1918 met van links naar rechts: pastoor De Jong, secretaris
Van den Bosch, pater
Kronenburg, deken Ooms, voorzitter Graaf, architect Stuyt en archivaris
Gonnet. |
Ottie h iers beschrijft in “’t Putje van
Heiloo” uitvoerig de wijze waarop de commissie met Graaf als voorzitter
aan het werk gaat. Men kreeg daarbij, op zijn zachtst gezegd, niet
altijd de medewerking van de pastoor van de Willibrorduskerk. Dat was
inmiddels de pastoor J.C.J. Seuter en door deze ook lid van de Commissie
te maken, kon men toch de doelstellingen realiseren. Daarvoor was veel
geld nodig, Dat geld kwam binnen door giften ofwel bij de BC, bij de
pastoor of in de
of erbus op Kapel. Daarnaast werden allerlei acties on-dernomen via de
netwerken van de leden van de BC. Dat geld moest in de eerste plaats
worden aangewend om de bouw van een kapel te realiseren. Vanwege de i
nanciële tekorten werd eerst een voorlopige versie van de kapel gebouwd.
Daarvoor werden de fundamenten zodanig gelegd dat, wanneer er i nanciële
ruimte zou ontstaan, voor een dei nitieve kapel dezelfde fundamenten
zouden kunnen worden gebruikt. In 1909 werd deze eerste voorlopige kapel
in gebruik genomen en door pastoor Seuter ingewijd, hoewel hij in de BC
als enige tegen het bouwplan stemde. Deze kapel bood plaats aan 150
pelgrims (Bertrand, pag. 87). De pelgrims stroomden toe. Groepen
pelgrims, die in georganiseerd verband kwamen, werden geregistreerd in
het Bedevaartsboek. 1910 is het eerste jaar waarin
systematisch werd geteld. Het aantal pelgrims in dat jaar was 8000. Door
grondaankoop kon het terrein worden uitgebreid.
In 1914 bereikte Van den Bosch opnieuw een succes omdat hij voor elkaar
kreeg dat er een treinhalte naast de bedevaartsplaats kwam. Er zat niets
anders op dan dat er een grote kerk bijgebouwd moest worden voor een
goede ontvangst van de pelgrims. Na een noodoplossing in de vorm van een
grote tent en de vele financiële problemen die moesten worden opgelost,
kwam ook die grotere kapel er in 1914. Ook die werd beschouwd als
tijdelijk oplossing, hoewel na bijna 100 jaar deze kapel er nog steeds
staat. Intussen gebeurt er ook een en ander aan de overzijde
(noordzijde) van de Kapellaan. Het was Klaas Ruiter, die de pastoor
Geenen van Heiloo behulpzaam was geweest, door in 1901 het kapelland aan
te kopen en in 1902 door te verkopen aan de Willibrordusparochie.
Dezelfde Klaas Ruiter kocht in 1896 drie percelen grond aan de
noordzijde van de Kapellaan. Dat was vrijwel alle grond gelegen tussen
de Hoogeweg en de Runxputteweg.
In 1900 koopt de heer Cornelis Kaandorp een groot deel van deze grond
van Klaas Ruiter en in 1906 staat er
het eerste nieuwe café, dat de naam krijgt ’t Kappelletje. Deze naam
herinneren we ons nog van de namen van de cafés op het Hyloer ryskaartje.
Niet lang daarna in 1908 liet Klaas Ruiter het karakteristieke pand café
St. Willibrord bouwen, schuin tegenover de kapel. Talloze afbeeldingen
van dit karakteristieke pand verschenen op ansichtkaarten.
 |
|
 |
| |
|
|
| Afb. 8: In 1930
werd deze kapel van 1909 vervangen door de huidige kleine kapel. |
|
Afb. 9: Het eerste café aan de
Kapellaan wordt opgeleverd. Van links naar rechts de heren: Ploeger
(metselaar), Sengers
(aannemer) en Kaandorp (eigenaar)
|
| |
 |
|
| |
|
|
| |
Afb. 10: Vrouwen met de
hulletjes bij de gelegenheid van het 25-jarig jubileum in 1930, toen nog
de klederdracht, op Kapel. Van links naar rechts: mw. Zeeman, mw. Kabel,
mw. Pater, en mw. Molenaar. De foto werd gepubliceerd in juli 1930 in de
Katholieke Illustratie. |
|
In de Kapellaan werden nog
twee horeca-etablissementen gesticht, namelijk café-restaurant Runxputte,
en ’t Stalleke van Bethlehem. Aan de Runxputteweg kwam het café
Pelgrimsrust en aan de overzijde van het spoor ’t Haringbuysje.
Er was nogal wat onderlinge strijd tussen al de kasteleins, die allen
probeerden de pelgrims naar hun etablissementen te lokken om koi e te
drinken en eventueel souveniertjes te kopen.Klaas Ruiter zat goed met
zijn café recht tegenover de
poort van het terrein. Bovendien werd hij in 1910 de eerste koster, die
dus ook nog de mogelijkheid had alleen die poort open te houden.
Klik
hier voor
het interview met Cor Borst de eerste koster
Dit
leidde tot allerlei ontevreden kasteleins met wie de bisschoppelijke
commissie heel wat te stellen had.
Naast de koster werd Piet Zeeman aangesteld als parkwachter, die zijn
gezag vooral moest ontlenen aan een mooie veelkleurige pet.De aantallen
bedevaartgangers in georganiseerd verband liepen vanaf 1910 geleidelijk
aan op. Met een dip in de oorlogsjaren ’40-’45 groeide het aantal in de
richting van de topjaren halverwege de jaren vijftig om daarna af
te nemen tot een stabiel niveau.Als opvolger van Klaas Ruiter werd in
1935 Cor Borst als koster aangesteld die tot 1975 die functie vervulde.
Tot zijn taken behoorde behalve het kosterwerk ook het onderhoud van het
park.
| |
 |
|
| |
|
|
| |
Afb. 11: De
aantallen deelnemers aan de groepsbedevaarten werden
geregistreerd in het pelgrimsboek. In de grafiek zijn
de topjaren duidelijk herkenbaar. |
|
Als opvolger van
Klaas Ruiter werd in 1935 Cor Borst als koster aangesteld die tot 1975
die functie vervulde. Tot zijn taken behoorde behalve het kosterwerk ook
het onderhoud van het park. De BC verrichtte allerlei werkzaamheden en
transacties,
maar miste eigen rechtspersoonlijkheid. Daarom nam, bijvoorbeeld bij
aankopen van grond, de Willibrordusparochie in Heiloo steeds de
noodzakelijke juridische verantwoordelijkheid. Op 27 maart 1930 werd een
stichting opgericht met de naam: “Onze Lieve Vrouw ter Nood Stichting”
met o.a. als doelstelling het aankopen en beheren van kerkelijke
goederen. De eerder door de BC verworven grond werd aan deze stichting
overgedragen.In begin van de jaren ’30 van de twintigste eeuw werd een
deel van het grondgebied afgesplitst en verkocht aan de Congregatie van
de Zuster van de H. Juliana van
Falconieri (de Juliaantjes) met de bedoeling daar een klooster te
bouwen. In 2005 verlieten de Juliaantjes het klooster en werd dit
klooster eigendom van het R.K. Bisdom van Haarlem.De samenstelling van
de BC maakte dat geschiedenis en
kunst door de commissie belangrijk gevonden werden bij de inrichting van
kerken en terrein. In beginjaren 1930 werd contact gezocht met de
Haarlemse kunstenaar Han Bijvoet. In een veeljarige opdracht (1934-1955)
schilderde hij alle wanden van de Kleine Kapel, behalve de achterwand.
Voor die wand was wel een ontwerp van Bijvoet maar hij heeft dat zelf
niet meer kunnen uitvoeren. In 1947 was de Sociëteit van de Paters
Montfortanen bereid de liturgisch-pastorale zorg van Kapel op zich te
nemen. Er ontstaat een rectoraat Onze Lieve Vrouw ter Nood. De eerste
rector was pater Toebosch. De Paters Montfortanen kregen van het bisdom
echter niet alle bevoegdheden die normaal bij de functies binnen een
parochie horen. De bewoners van Kapel bleven voor-lopig voor doop, trouw
en begraven aangewezen op de parochiepastoors en dat gold ook voor de
eerste en plechtige communie. Langzaam verkreeg het rectoraat ook de
mogelijkheden om er de plechtigheden bij doop, trouwen en begrafenissen
te houden. Het rectoraat groeide toe naar de topjaren rond 1950.
Daarna sloeg de bedevaartsplaats zich, evenals de gehele Katholieke Kerk
in Nederland, door de moeilijke jaren
zestig en zeventig van de vorige eeuw heen. Het tijdperk van de
Montfortanen eindigde in 1986. Kapel draaide verder op vrijwilligers met
als stimulerende kracht zuster Humilia, die als gastvrouw de
rectorswoning betrok.
Jubileumjaar honderd jaar heropleving. In 2005 werd honderd jaar
heropleving van de devotie gevierd. Dit ging gepaard met diverse
feestelijke evenementen. Ook werd in dat kader een historische studie
uitgevoerd door mw. Ottie Thiers, hetgeen leidde tot de uitgave van ‘’t
Putje van Heiloo’. In dat jaar werd ook de schildering van de achterwand
van de Kleine Kapel
uitgevoerd door de Amsterdamse kunstenares mw. Mieke Schobbe. Tevens
werden een tentoonstelling georganiseerd en een onderzoek uitgevoerd
naar de toekomstmogelijkheden voor het bedevaartsoord. De meest recente
ontwikkelingen betref en het samenvoegen onder één bestuur van het
rectoraat en de Stichting Onze Lieve Vrouw ter Nood onder de nieuwe naam
“Diocesaan Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood”. De Bisschoppelijke
Commissie heeft honderd jaar
geleden nog gedacht aan het bouwen van een indrukwekkende basiliek op
het terrein. Dat is nooit doorgegaan. Toch zou de BC met tevredenheid
neerkijken op de situatie van nu. Nu het ook nog mogelijk is geworden
het gebruik van het voormalig Julianaklooster bij het bedevaartsoord te
betrekken, zal dit moeten leiden tot nieuwe bloeiperioden, passend in de
tijd waarin we leven. Op een plaats die gedurende zoveel eeuwen zoveel
heeft getrotseerd zal dit ongetwijfeld mogelijk zijn.
Klik
hier voor
de stichtingslegende.
Met dank aan Ottie h iers voor het lezen van het artikel en haar
commentaar.
Afbeeldingen in dit artikel zijn
afkomstig van:
Afb. 1 Museum Catharijneconvent, Utrecht / foto:
Ruben de Heer; Kopie in Oesdom, O.L.V. ter N.
Heiloo
Afb. 2 Oudheidkamer Historische Vereniging Oud
Heiloo, HeilooAfb. 3 Regionaal Archief Alkmaar, Alkmaar
Afb. 4 Museum Catharijneconvent, Utrecht / foto:
Ruben de HeerAfb. 5. Oudheidkamer Historische Vereniging Oud
Heiloo, Heiloo
Afb. 6 Archief Stichting Onze Lieve Vrouw ter
Nood, HeilooAfb. 7 Archief Stichting Onze Lieve vrouw ter
Nood, Heiloo
Afb. 8 Archief Stichting Onze Lieve vrouw ter
Nood, Heiloo
Afb. 9 Oudheidkamer Historische Vereniging Oud
Heiloo, Heiloo
Afb. 10 Katholieke Illustratie juli 1930
Afb. 11 Ottie Thiers, Vught
Literatuur en bronnen
1 Thiers, Ottie, ’t Putje van Heiloo, Bedevaarten naar
onze Lieve Vrouw ter Nood, (Hilversum, Verloren,
2005)
2
Bertrand, Joan, De Runxputte en Onze Lieve Vrouw
ter Nood, een bekend bedevaartsoord te Heiloo,
(Schoorl, Pirola, 1980)
3
Nolet, W., Onze Lieve Vrouw ter Nood, Voorheen en
thans, (Alkmaar,Van Putten & Oortmeijer, 1933)
4
Margry, P.J., Heiloo’s heilige plaatsen, in Streefkerk e.a
ed., Heiloo voor en na Willibrord. Opstellen over de
geschiedenis van Heiloo, (Heiloo, 1995)
5
Staal, Caspar, en Marc Wingens, Bedevaarten in
Nederland, (Walburg Pers, 1997, Publicatie bij de
tentoonstelling Catharijnenconvent, Utrecht)
6
R.A.A. Oud Archief Heiloo, inv. nr. 70
Er staat “….stellende tot eenen specialen ypoyheek ende
onderpande een stucke saetlant met wat weijtlant daer
an groot anderhalf morgen gelegen in den banne van Oesdom bewesten onzen
vrouwen capelle te Roomputte………….opten lesten december anno 1575.
Merkwaardig dus Roomputte i.p.v. Runxputte.
Misschien een verschrijving, maar moet nog verder
worden onderzocht.
7
Schoorl, H., De kruip-en kruisbergen onder Heiloo
in 1768, in: Alkmaars jaarboekje jg. 9 (1973)
8
Allard, J.H., De ommegangen en bedevaarten naar
Heiloo en Oesdom, (Maastricht, 1888)
9
Rijk, J.A. de, Heilige plaatsen in het bisdom Haarlem.
II Onze Lieve Vrouw ter Nood of Runxputte onder
Heilo, in: Bijdragen voor de geschiedenis van het
bisdom Haarlem, (1873)
10
Oeverhaus, A., Onze Lieve Vrouw ter Nood, voorheen en thans, opnieuw verteld naar vroegere beschrijvingen van pater Kronenburg CssR en professor W. Nolet
(Heemstede, De Toorts, 1947)
11
Rijk, J.A. de, Heilige plaatsen in het bisdom Haarlem.
II Onze Lieve Vrouw ter Nood of Runxputte onder Heilo,
in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom
Haarlem, (1873)
12
R.A.A. Archief Onze Lieve Vrouw ter Nood
Overige literatuur
Graaf J.J., Onze Lieve vrouw ter Nood onder Heiloo,
in: Katholiek Illustratie, 41ste jaargang, 1906, nr. 6
Kronenburg, J.A.F., Maria’s heerlijkheid in Nederland
Auteur: Piet Kuijper